Goed boos

stacks-image-90d6a83-126x180Binnenkort wordt de 1000ste cursist ingeschreven voor de training “Goed boos” van Gerard van der Schee. Dat de training populair is, blijkt wel uit het feit dat dit aantal in relatief korte tijd is bereikt. Deze, en andere vergelijkbare cursussen, zijn het resultaat van de constatering dat onderlinge conflicten in evangelische gemeenten gemeengoed lijken te zijn en dat mensen daardoor boos zijn.

Mediators, counselors of organisatiedeskundigen worden ingezet om ruzies om te zetten in harmonie, maar helaas is het resultaat niet vaak positief. Het aantal voorgangers dat vertrekt of het aantal splitsingen van evangelische gemeenten is hoog. Ik heb geen getallen, maar het aantal lijkt alleen maar te stijgen.

Vorige week interviewde ik een dominee uit een PKN gemeente. Tijdens het gesprek kwam dit fenomeen ook ter sprake. Hij vroeg mij waarom er toch zoveel evangelische gemeenten uiteenvallen. Er zijn in PKN gemeenten ook conflicten, maar het komt weinig voor dat kerken daardoor scheuren en er twee PKN gemeenten ontstaan. In het verleden gingen sommige Protestantse groepen wel hun eigen weg op theologische gronden, denk aan het ontstaan van dezelfde PKN. Dat leverde bijvoorbeeld de Hersteld Hervormde kerk op. Maar dat is niet wat ik hier bedoel. Want in evangelische gemeenten gaat het heel vaak niet om de theologie.

Gewone ordinaire ruzies in evangelische gemeenten hebben veel pijn als resultaat en soms lopen mensen na jaren nog rond met kerkelijke trauma’s. Er treedt daardoor een enorme kerkelijke versnippering op. Terug naar de vraag van de PKN dominee: “Waarom gebeurt dat zoveel in evangelische gemeente?” Dat is een vraag die me al een tijd bezig houdt. Na aanleiding van dat gesprek, probeer ik een aantal verklaringen te vinden.

  1. Evangelische gemeenten bestaan relatief vaak uit mensen met verschillende kerkelijke achtergronden. Velen van hen zijn “church hoppers”. Deze mensen nemen de eigen kerkelijke traditie mee en willen dat ook graag terugzien in de nieuwe gemeente. Groepsvorming kan het resultaat zijn en daardoor een basis voor conflict. De charismatische aandacht voor de Heilige Geest heeft bijvoorbeeld veel tweespalt gebracht, terwijl de Geest toch eenheid brengt.
  2. Veel voorgangers kenmerken zich door charismatisch leiderschap. Het enige nadeel van deze vorm is dat ze hun eigen plannen vaak belangrijker vinden dan de geestelijke gesteldheid van de gemeente. De voorganger loopt dan voor de troepen uit zonder achterom te kijken.
  3. Sommigen evangelische gemeenten hebben een kerkmodel en geen ecclesiologie. Dat wil zeggen dat bedrijfsmatige processen belangrijker zijn dan nadenken over wat de Bijbel zegt over de kerk. Ik zie om me heen dat dan de broederlijke en zusterlijke gemeenschap en geestelijke groei onder druk kunnen komen te staan. Een goed voorbeeld daarvan is het Reveal onderzoek in Willowcreek Community Church dat naar boven bracht dat leden niet groeiden naar volwassen christen-zijn in deze kerk.
  4. Ik ben wel eens teleurgesteld in het geestelijk niveau van christenen die al een lange tijd op weg zijn met God. Dit zeg ik niet met een opgeheven vingertje, zo van, wat doen zij het toch allemaal beroerd. Soms zie ik principes uit de Bijbel die met voeten worden getreden door “volwassen” christenen. Dat doet pijn, want het wordt vaak zichtbaar tijdens conflicten en dan is er geen weg meer terug.

Dit is een pijnlijk onderwerp. Vooral als jezelf in een conflict zit of conflicten hebt meegemaakt. “Overal gebeurt wel eens wat”, hoor ik iemand al snel zeggen. Ja, dat is waar, maar dat moet niet tot resultaat hebben dat broers en zusters van Jezus gescheiden wegen kiezen. Mag ik je er dan aan herinneren wat Jezus zei in Johannes 17:21:

… opdat zij allen één zijn, gelijk Gij, Vader, in mij en Ik in U… (NBG)

Het onder  woorden brengen van de Trinitarische eenheid is niet eenvoudig, maar op dezelfde manier moeten ook volgelingen van Jezus één zijn. Daar bidt Jezus voor. Misschien wist Hij al dat dat in de toekomst wel eens een probleem zou kunnen worden? En, mocht je echt boos zijn en dat op de goede manier willen aanpakken dan is de training van Gerard van der Schee een aanrader, hier is de link. Misschien wordt jij dan de 1000ste cursist?

Advertenties

Verdwijnt dogmatiek in onze netwerksamenleving?

cropped-europe-1201.jpgDat was een vraag die tussen neus en lippen aan bod kwam gisteren tijdens een overleg. Het bleef in mijn hoofd hangen. Dogmatiek of systematische theologie is zeker niet altijd populair geweest. “Dat is voer voor theologen”. Ik hoor het ze nog zeggen. Is in onze netwerksamenleving, die ook van invloed is op de kerk, dogmatiek een onderwerp van gesprek?

Een geloofsbelijdenis is een ingedikte theologisch dogmatische uitspraak. Ik denk dat dergelijk documenten ook in een netwerksamenleving een plaats moeten hebben. Het is zelfs zo dat dergelijk documenten een vernieuwde aandacht krijgen, vooral in gemeenschappen met een postmoderne inslag. Ze verwoorden waarvoor we staan en waarom we christen zijn geworden. Ik citeer een aantal regels uit de geloofsbelijdenis van Nicea (325 AD):

Hij is voor ons, mensen, en omwille van ons heil uit de hemel neergedaald.
Hij heeft het vlees aangenomen door de heilige Geest uit de Maagd Maria
en is mens geworden.
Hij werd voor ons gekruisigd,
Hij heeft geleden onder Pontius Pilatus en is begraven
Hij is verrezen op de derde dag, volgens de Schriften.

Dat een dergelijke dogmatische uitspraak nog steeds van invloed is, bewijst een bericht in Trouw vandaag. Daarin wordt gezegd dat een Nijkerker dominee weg moet omdat hij de historische Jezus ontkend. Zou dat ook het geval zijn geweest met een gemeentestichter in Rotterdam-Zuid als dat door hem of haar zou zijn gezegd?

Wat is er volgens mij aan de hand? Ik denk dat de grote verhalen kleine en meer lokale verhalen zijn geworden. Dat klinkt allemaal nogal postmodern en zeker het heeft met de tijd waarin we leven te maken. Dat zien we heel praktisch doordat kerken makkelijker samenwerken dan voorheen. De kerkmuren zijn een stuk lager geworden. De dogmatische bolwerken die jarenlang zijn verdedigd, zijn van minder belang geworden. En soms is het dat gewoon: “Nood breekt vaak wet!”. De kerken lopen leeg. We moeten elkaar daarom van dienst zijn.

Ik ben theologisch opgegroeid met een eschatologische schema´s van het dispensationalisme. Ik las boeken van Hal Lindsey. De afbraak van dit evangelisch bolwerk is jaren geleden al ingezet. De hoogtijdagen van “Het Zoeklicht” liggen ruim achter ons. Bij collega´s merk ik een theologische ontspanning en een openheid voor andere stromingen. Men kijkt over kerkmuren heen en stelt het oordeel uit of men oordeelt helemaal niet meer, omdat men theologisch “vreemd” denken opneemt in het eigen theologisch arsenaal. Is de dogmatiek dan verdwenen of krijgt het minder aandacht? Zeer zeker niet, het wordt alleen anders verpakt. Daar komt ik op terug.

Hoe zit dat dan met de gewone deelnemer aan een gemeentestichtingsproject in Rotterdam-Zuid? Moet men hem of haar vermoeien met theologisch abracadabra? Ik zou daar op willen zeggen dat in evangelisch Nederland, mijn eigen achterban, de aandacht voor theologie nooit uitbundig is geweest. Er is dus niets nieuws onder de zon. Zoals ik al zei: “voer voor theologen” of “pas op voor het liberalisme!” Waarom is dogmatiek dan belangrijk voor een pas-gelovige die geen christelijke achtergrond heeft? De kern van het geloof is Jezus Christus. Zijn aanwezigheid en werk op deze aarde is gesprek geweest gedurende 2000 jaar kerkgeschiedenis. Elke nieuw gelovige stapt in in een kerkelijke traditie, of we dat nog belangrijk vinden of niet. We kijken dus voor een deel achterom. Ten tweede kijken we vooruit. De vraag: “wat vormt ons geloof?” is in mijn ogen belangrijk. Wanneer je niet weet wat je gelooft, ben je geneigd veel onzin te volgen. Dogmatische uitspraken geven richting vanuit het verleden naar de toekomst, net zoals de geloofsbelijdenissen dat deden en nog steeds doen.

Wat ik denk dat nodig is in onze tijd is dit. In een post-christelijk Nederland is het nodig om de theologie opnieuw te doordenken. Contextualisatie is opnieuw nodig. Theologie ontstaat niet meer op een christelijke fundament. Het hedendaagse grondvlak is vaak zichtbaar “heidens”. Een theologisch doordenken moet gebeuren op het grondvlak, in de modder van bijvoorbeeld Rotterdam-Zuid. Deze dogmatische theologie zal er geheel anders uitzien dan de vuistdikke werken die de afgelopen decennia zijn geschreven. Aan gemeentestichters wil ik de opdracht meegeven om theologisch te blijven denken in een snel veranderende context aan de slag te gaan met contextualisatie. Lees eens het boek van Stephen B. Bevans met de titel “Models of Contextual theology”. Ik ben benieuwd wat uit zo´n proces naar boven komt. Het kan zeker het Koninkrijk dienen als we samen nadenken over het evangelie in de dagelijkse realiteit van post-christelijk Nederland waar men niet weer weet waarom Jezus belangrijk is.

Leiding geven zonder visie en missie

Midden jaren negentig van de vorige eeuw kwam vanuit met name de Verenigde Staten het kerkelijk management denken Nederland binnen. Het “bedrijfsdenken” moest het kerkelijk leven beter stroomlijnen en effectiever maken. Termen als visie, missie, strategie, projectplannen, functiebeschrijvingen deden hun intrede binnen de kerkmuren. Doet dit denken een organisatie of geloofsgemeenschap goed?

Deze vraag kwam bij me op na het lezen van een essay in van Hans de Bruijn, hoogleraar bestuurskunde aan de TU Delft (Trouw 27 december 2014). Kort gezegd heeft hij het over aanmodderende politici die het aan visie zou ontberen. “In Europa weet men niet precies wat men wil en doet maar wat”, aldus de schrijver. Wat De Bruijn zich afvraagt is of politici met veel visie het beter doen dat het “aanmodderende” soort. Ik haal er een aantal zaken uit die mij opvielen en leg daar mijn eigen ideeën vanuit kerkelijk oogpunt tegenaan.

De Bruijn haalt als voorbeeld een boek aan van Joseph Nye die schrijft over presidentieel leiderschap in de VS.  In dat boek wordt onderscheid gemaakt tussen twee soorten presidenten: het type met een uitgesproken visie die zaken wil veranderen en het type zonder duidelijk visie die kleine stapjes belangrijker vinden dan groter veranderingen. De “oude” Bush was een voorbeeld van dat laatste type, een transactiepresident. Met visie had Bush het niet zoveel op. Toch heeft Bush ook grote internationale crises meegemaakt: het einde van de koude oorlog en de Iraakse inval in Koeweit. Dat deed hij zonder veel kleerscheuren, volgens Nye. Hij constateert dat presidenten zonder visie het bijzonder goed doen. Ze zijn wendbaar, doordat ze geen last hebben van visie, handelen nadat ze een zaak goed hebben overwogen. Zonder visie denkt men langer na en is men voorzichtiger. Als iemand grote veranderingen doorvoert, heeft het meer kans van slagen als dat langzaam gebeurt. Tot zover De Bruijn.

Geldt dit ook voor de wijze waarop leiderschap wordt opgevat binnen de kerk? Dat heeft mij een tijdlang bezig gehouden. Staat het denken over visie en missie e.d. ons in de weg om de juiste keuzes te maken of niet? Een idee waar ik de laatste tijd meer naar neig is het werken met “waarden”. Waarden functioneren als een soort piket paaltjes waarbinnen een geloofsgemeenschap wil en kan functioneren. Waarden geven aan wat als belangrijk wordt ervaren. Dat garandeert flexibiliteit, men zit niet vast aan afspraken die in de weg kunnen zitten.

Eerlijkheidshalve moet ik constateren vanuit de praktijk dat niet elke geloofsgemeenschap zich houdt aan de visie en missie die ze zelf hebben opgesteld. Als men zich daar dan niet aan houdt, is het dan verstandig deze te handhaven? Het is een vraag voor een goede reflectie naar het eigen functioneren. Wanneer men iets met elkaar afspreekt, is het vanzelfsprekend dat men zich er ook aan houdt. Doet men dat niet dan is het verloren tijd. Een tweede vraag dit men kan stellen: functioneert het? Helpt het werken met een onder andere een visie om een gemeente beter te laten functioneren? Dat is een goede vraag die het leiderschap zichzelf en de gemeente zouden moeten stellen. Doet een gemeente met het beter dan een gemeente zonder?

Blijkbaar doen aanmodderende politici het beter. Hoe staat het met aanmodderende gemeenten, oudstenraden en predikanten/voorgangers?

Volgens Martin de Jong (EA) moet het leiderschapsmodel op de schop

preekMartin de Jong schreef recent een interessant artikel op de website van de Evangelische Alliantie. Uit onderzoek concludeert de Jong dat het gat dat de komende jaren gaat ontstaan in het voorgangersbestand niet door de komende generatie geestelijk werkers zal worden opgevuld. Er zijn er gewoon te weinig jonge mensen die de “gemeente ingaan” en er gaan te veel voorgangers met pensioen.

Voordat ik in ga op de oplossing die de Jong aandraagt, heb ik een aantal vragen. Ik heb daar zelf nog geen antwoord op, maar het zou interessant zijn op daar onderzoek naar te doen.

  1. Hoeveel jonge mensen (percentage) belanden uiteindelijk in een gemeente als ze theologie hebben gestudeerd?
  2. Waarom kiezen er te weinig mensen voor een bediening in de gemeente? Heeft dat ermee te maken dat het voorgangerschap een (te) zware taak is? De laatste tijd hoor ik van veel voorgangers die met een burn-out thuis zitten of een andere bediening buiten de gemeente aannemen.
  3. Wanneer deze jonge theologen niet kiezen voor de gemeente, waar belanden ze dan?
  4. Leiden de huidige theologische opleiding mensen op voor het verleden of voor de toekomst?

Trainingscentra

Eén van de verklaringen die de Jong aandraagt voor deze ontwikkeling is het cultuurverschil tussen de gaande en de komende generatie. Daarom moet het leiderschapsmodel op de schop. De Jong noemt Frankrijk als voorbeeld waar het aantal voorgangers dat van een opleiding komt niet voldoende hoog is om aan de vraag te voldoen. Het protestantisme is booming in Frankrijk en leiderschap is nodig. Daarom is men begonnen met regionale trainingscentra om de nieuwe generatie op te leiden. Een jaar meelopen met een gemeentestichter en daarna in het tweede jaar aan de slag. Daar licht volgens de Jong de clou. Een voorgangersmodel van herder-leraar sluit niet aan bij de realiteit. Het is teveel naar binnen gericht. Een voorganger moet meer dan daarvoor naar buiten zijn gericht. De Jong noemt dit apostolisch leiderschap. Hij roept alle voorgangers en ook gemeenteleden op om pionier te worden. Dat is een opleiding en training voor nodig. Ik sta hier volledig op dezelfde lijn als De Jong. Hij pleit voor lokale trainingscentra waar mensen een twee-jarig traject kunnen volgen om de essentie van (meervoudig) missionair leiderschap onder de knie te krijgen.

Project in zuiden van het land

In het zuiden van het land is daar al een team mee bezig om een dergelijk project op poten te zetten (ik denk hierin mee). Het aantal mensen dat in deze regio nodig is, is groot. Er zijn vanuit deze regio te weinig mensen die voldoende getraind zijn om een groep praktisch en geestelijke evenwichtig te leiden. Het doel van dit team is om gemeentestichters en werkers een goede Bijbelse basis mee te geven en daarnaast mee te nemen in de praktijk van een missionaire gemeente.

Om iets dergelijks te realiseren is nodig:

  • een gedeelde visie van ondersteunende gemeenten. Ik hoop dat er gemeente zullen zijn die als Petrus “uit de boot stappen” en dit nieuwe perspectief zullen omarmen.
  • goede ervaren trainers en docenten en daarnaast een goed curriculum.
  • voldoende financiën over de langere termijn om een goed traject neer te zetten.
  • veel gebed.

Wanneer je dit leest en enthousiast bent over dit idee, laat het dan weten. Ik geef je graag meer details over deze ideeën. Wil je dit project op één of ander manier steunen, laat het dan zeker weten.

Klein is leuk!

September-4-Eating-TogetherGrote kerken worden en werden vaak als het ultieme voorbeeld beschouwd voor andere kerken. Ik sprak ooit met een voorganger die enthousiast uitlegde dat door de grootte van zijn kerk hij “veel meer kon doen”. Er was meer geld door meer gevende mensen, dus was het mogelijk om meer te organiseren. Dat idee speelt nog vele kerkleiders door het hoofd. Opbouwprincipes, leiderschap, structuur, kringenwerk, acties, sociale projecten, etc.: de kerk met honderden leden zijn daarbij het leidend voorbeeld. Toch zijn de meeste kerken in Nederland niet van die omvang. In deze post een pleidooi de “kleine” kerk die juist groot kan zijn.

Vooraf aan dat pleidooi noem ik twee categorieën die worden verwoord in twee thema´s die vaak belangrijk zijn bij de opbouw van een gemeente:

  1. structuur/organisatie: deze twee zijn nodig om sturing te geven aan een groep mensen. Er worden afspraken gemaakt over hoe alles zou moeten reilen en zeilen binnen een gemeente.
  2. relatie/gemeenschap: deze twee hebben juist te maken met de onderlinge verstandhouding. De Bijbel zegt klip en klaar dat de kerk een gemeenschap is en zonder relaties geen gemeenschap mogelijk is.

Waarom noem ik deze twee categorieën? Dat heeft de volgende redenen. De eerste categorie wordt vaak benadrukt in een grote gemeente. De tweede categorie is vaak mogelijk vanwege de eerste. Of ander gezegd: om gemeenschap te ervaren is organisatie nodig. Ik geef een voorbeeld. In een grote gemeente wordt vaak de gemeenschap in een huiskring benadrukt. Deze kringen worden georganiseerd en ontstaan vaak niet vanzelf. Om het in stand te houden is een structuur van afspraken nodig. Hoe vaak heb ik gehoord in een grote gemeente dat men elkaar niet kende. Dat wordt opgelost door gemeenschap in het klein te organiseren. We kunnen daarom concluderen dat een wezenlijk eigenschap/kenmerk van de gemeente “gemeenschap” veelal afhankelijk is van structuur en organisatie.

In een kleine gemeente kan dat op een andere wijze functioneren. Gemeenschap is mogelijk door “gewoon” met elkaar om te gaan. Elkaar leren kennen is eenvoudig. Dat merk ik nu ik in een groep van ongeveer 40 mensen zit (inclusief kinderen). Niemand zegt dat men niemand kent, want iedereen kent iedereen. Organisatie is natuurlijk nodig, maar staat in dienst van de gemeenschap. Ik denk dat we de kracht juist in een kleine gemeenschap hier moeten zoeken.

De gemeente is ten eerste een gemeenschap rondom Jezus. “Waar twee of drie vergaderd zijn, ben ik in hun midden”, zegt Jezus. We spreken wezenlijk van een christelijke gemeenschap als er meerdere mensen in Jezus´ naam bij elkaar komen. Organisatie en structuur staan in dienst van de gemeenschap en niet andersom. Wanneer een kleine gemeente dat uitbuit, komt ze volgens mij dichter bij het bijbels ideaal.

Ik sluit af met een praktisch voorbeeld. Een kleine gemeente kan uitmunten in gastvrijheid. Als mensen worden uitgenodigd voor een maaltijd en de kans krijgen om anderen te leren kennen, zal dat door een gast als enorm waardevol worden ervaren. Maar niet alleen door een gast, ook de deelnemers aan de gemeenschap ervaren wat het is om kerk te zijn als er samen wordt gegeten. Iets dergelijks organiseren is niet zo moeilijk, de impact juist heel erg groot (en kinderen, tieners kunnen zich ook thuis voelen). En… de organisatie staat in dienst van de gemeenschap!

Ben benieuwd hoe jij daar tegen aan kijkt.

Hoe kan de verbinding tussen kerk en pionier tot stand worden gebracht?

OLYMPUS DIGITAL CAMERAZoals in de vorige blogpost naar voren kwam,  zie ik met name in evangelische beweging een beperkte aandacht voor nieuwe kerkelijke initiatieven. Dat dat veel herkenning oproept, blijkt uit de reacties.  Iemand zei dat dat ook komt doordat veel van dergelijke initiatieven onder de radar blijven. We weten niet dat ze bestaan. Voorbeelden zijn huiskerken en Simple Churches. Zover ik het kan bezien, zijn dat vaak initiatieven op persoonlijk titel, dat zou mijn stelling dus onderbouwen. Sommige van deze groepen ontstaan doordat ze zich juist afzetten tegen de reguliere evangelische kerk.

Dat gezegd hebbende, hoe kan hier een verandering in komen? Een paar suggesties:

  1. Ten eerste is verandering van binnenuit nodig, het gaat dan om het DNA van de kerk. Gemeenten dienen opnieuw te beseffen dat de ecclesiologie in dienst staat van de missiologie en niet andersom. Nu staat de kerk in het middelpunt als een doel op zich, terwijl dat in mijn ogen in dienst moet staat van de missionaire opdracht die elke geloofsgemeenschap heeft. Pas daarna kan worden nagedacht over de praktische gevolgen voor het kerkelijk leven.
  2. Het gaat nog te goed binnen de evangelische beweging. De evangelische kerken lopen nog niet voldoende leeg om mensen te laten beseffen dat een groot deel van Nederland op zondag niet een kerk bezoekt. Daar is niet zoveel aan te doen, waarschijnlijk zijn er nog te weinig profetische stemmen die dit duidelijk kunnen maken. Jezus zei: “bidt om arbeiders voor de oogst”. Ik zou daar aan willen toevoegen: “bidt voor visionairs die ruimte creëren voor nieuwe initiatieven”. We hebben mensen nodig die aanvoelen hoe deze kloof overbrugd kan worden.
  3. Beslissers binnen kerkverbanden moeten de ploeterende pionier de ruimte geven om als entrepreneur aan de slag te gaan. Binnen evangelische kerken moeten fondsen worden vrijgemaakt om dat mogelijk te maken. Daarna moet de pionier alle ruimte krijgen zonder dat een kerkelijk bestuurder over de schouder meekijkt en vraagt naar meetbare resultaten. Ik zou zeggen: “geef hen lucht, geef hen ruimte”. Wanneer dat mogelijk is, krijgt de creativiteit de ruimte en kan “out of the box” denken omgezet worden in realiteit.
  4. Bid voor een kerk waarvoor geldt: “semper reformanda”.

 

Waarom groeit onze kerk (niet)?

Met grote interesse las ik het artikel van Jaap Ketelaar met bovenstaande titel in IDEA van augustus van dit jaar. In tijden van teruggang in ledental is groei in aantal een belangrijke graadmeter geweest voor het gezond verklaren van een kerk. Of zoals iemand eens zijn: “als je kerk niet groeit, dan is er iets mis”. In het artikel wordt een matrix overgenomen uit de brochure van Airlin J. Rothauge met de titel: “Sizing up a Congregation for New Member Ministry” (de ideeën van Rothauge over kerkgroei zijn hier onder andere te vinden). Jaap Ketelaar neemt uit deze brochure deze matrix over die Rothauges boodschap samenvat:

Er vallen een aantal zaken op bij het bestuderen van deze matrix:

  1. Het diagram laat zien dat alle “types” gemeenten teruggebracht kunnen worden tot vier basisvormen.
  2. Groei wordt specifiek zichtbaar gemaakt door de pijlen te volgen. De volgorde gaat van familie – naar herder -, programma – naar bedrijfsgemeente (overigens kan het ook in omgekeerde volgorde, maar dat komt in bovenstaand diagram niet aan de orde. Jaap Ketelaar laat dit overigens wel zien).
  3. Groei is goed!
  4. Er wordt vanuit gegaan dat organisatie en een voorganger deel zijn of kunnen zijn van een gemeente. Bij een groter wordende gemeente zijn werkers, ik welke vorm dan ook, noodzakelijk voor het besturen van de gemeente. Bij een grote gemeente neemt de bevoegdheid van de leiders toe om beslissingen te nemen.
  5. Het aantal mensen die behoren bij een gemeente bepalen hoe de gemeente gestuurd of geleid moet worden. Het beeld verschuift van organisch naar meer organisatie.

De volgende blogpost mijn eigen reactie op deze matrix.