De film Ágora trekt deze weken miljoenen bezoekers in Spanje (tot op vandaag het ik nog niet kunnen achterhalen of deze film ook in Nederland draait). Het is de duurste Spaanse film ooit gemaakt. De regisseur Amenábar sluit in zekere zin aan bij de religieuze hype met als resultaat films als ¨De Da Vinci Code¨ en ¨Engelen en Demonen¨. Deze drie films hebben als grote overeenkomst dat ze de geschiedenis niet nauwkeurig beschrijven, zodat de groepen die in de film voorkomen, mijns inziens in een verkeerd daglicht worden gesteld.
Waar gaat deze film over?
De film heeft Hypatia, gespeeld door Rachel Weizz als hoofdpersoon. Deze vrouw doceerde filosofie, wiskunde en astronomie In Alexandrië in de vierde eeuw van onze jaartelling. Als filosofe volgde ze de school van o.a. Plotinus. Ze komt aan haar einde door een groep christenen. In de film is te zien dat verschillende religies met elkaar in conflict komen. In de tijd van Hypatia wonen er groepen joden en christenen in Alexandrië en zien we ook de inheems Egyptische religie voorbij komen. Deze drie groepen strijden volgens Abenábar om de macht. Daarnaast verteld de film dat de wetenschap die Hypatia nastreeft wordt tegengestreefd door leider van de christelijke bevolking, wat een tragische einde van Hypatia tot gevolg heeft.
Dzielska onderzocht het leven van Hypatia al eerder en kwam tot een aantal andere conclusie dan dat wat we zien in de film. Ten eerste was Hypatia ongeveer 60 jaar toen ze stierf en niet een jonge vrouw zoals de actrice Rachel Weizz. Ten tweede ging Hypatia vriendschappelijk om met verschillende christenen en verdedigde de religie van Egypte niet. Tim O’Neill verdedigt dat het conflict tussen verschillende groepen, in de film zijn dat christenen, joden en volgelingen van Egyptische religie, een politieke en niet een religieuze oorsprong had. Wanneer deze observaties verwerkt zouden worden in de film, zou de kijker een geheel ander beeld voorgeschoteld krijgen.
Deze film staat niet alleen op de schouders van de geschiedenis van toen, maar ook op de cultuur van nu. Amenábar wil laten zien dat religies met elkaar op de vuist kunnen gaan en dat het christendom daar niet van uitgesloten is (het jodendom ook niet en ik denk elke willekeurige andere religie ook niet). Conflichten tussen religies zijn van alle tijden volgens Amenábar. Ten tweede wil de film zeggen dat religies de ontwikkeling van bijvoorbeeld de wetenschap kunnen tegenhouden. Vergeten wordt wel eens dat het christendom de ontwikkeling van de wetenschap het bevorderd en versneld.
Ben ik tegen het maken van een dergelijke film? Nee. Er is veel ellende in de wereld vanwege religieuze overtuigingen. Ook heeft de kerk vaak afwijkende meningen tegengehouden (denk bijvoorbeeld aan Galilei). Dat mag gezegd worden. Maar wanneer een groep in een onjuist daglicht wordt gesteld op basis van twijfelachtige gegevens, dan is een reactie op z’n plaats. Bij deze.
Ik ben bezig met het overdenken van deze term. Ik heb eerst het boek van John Piper gelezen: “The future of justification”. Piper reageert in dit boek op met name de stellingname van N.T. Wright. Nu ben ik bezig met de reactie van Wright: “Justification”. Later zal ik proberen hier iets over te schrijven. In de tussentijd las ik het boekje “Jezus en het heil van Israëls God”, geschreven door Arie Zwiep. Daarin staat een interessant en lezenswaardig artikel met de titel “De openbaarwording van Gods gerechtigheid”.
Het gebruik van het woord “gerechtigheid” heeft vaak een juridische lading. Zwiep gebruik het voorbeeld van een rechtmatige straf, we zeggen dan vaak: “eindelijk gerechtigheid”. Maar, vraagt hij zich af, heeft het woord gerechtigheid in het NT ook deze lading? In Rom1:17 spreekt Paulus over Gods gerechtigheid in de context van het evangelie. In het evangelie wordt Gods gerechtigheid geopenbaard. Terecht stelt Zwiep de vraag: “Hoe kan Paulus dat evangelie noemen?” Heeft de gerechtigheid van God in deze context een juridische betekenis?
De betekenis van het woord gerechtigheid is ingebed in de bijbels context. Het voldoet niet, aldus Zwiep, het woord op te zoeken in een Grieks woordenboek en daar conclusies uit te trekken. In navolging van Gerhard von Rad, zegt Zwiep dat het OT spreekt over die woord in relatie tot heil en verbond. Rechtvaardiging is een relationeel begrip. Citaat:
… het is een begrip dat gebruikt wordt om de verhouding tussen twee partijen te beschrijven die met elkaar in een verbondsrelatie staan. Iemand is “rechtvaardig” of “gerecht” als hij beantwoordt aan de eisen die de verhouding waarin hij staat van hem vraagt. Iemand is rechtvaardig wanneer hij in de juiste verhouding tot de ander staat, hetzij tot zijn medemens, hetzij tot God.
Kern is dat in een verbondsrelatie beide partijen de afspraken nakomen. Gerechtigheid is dat wat nodig is om het verbond in stand te houden. Hierbij kunnen we denken aan het boek Deuteronomium dat aan het einde de consequenties opneemt van het verbreken van de relatie. Het OT spreekt van een praktische uitwerking van gerechtigheid. Gods handelen is verwoord door heilbrengende gerechtigheid, bijvoorbeeld in Jesaja40,13, 51:6. Het gaat op Gods handelen waardoor een situatie van gerechtigheid ontstaat. De mens komt door Gods heilshandelen in een gerechtigde staat. Rom1:17 zegt dat de basis daarvoor niet het nakomen van de wet is, maar dat het Jezus’ offer aan het kruis is die deze staat bewerkt.
In mijn ogen blijft Zwiep op twee gedachten hinken. Aan de ene kant vindt gerechtigheid haar basis in een relatie die onderhouden wordt binnen een verbondscontext (p98). Aan de andere kant ontstaat door Gods heilshandelen een situatie (staat) van gerechtigheid (p99). Een relatie (dymanisch) en een staat (statisch) zijn twee verschillenden zaken. Van een gerechtigde staat kan sprake zijn zonder dat er een relatie aanwezig is. Voor mij blijft dit onduidelijk.
Ik hoop dat Wright meer licht werpt op deze materie.
Mocht je Spaans kunnen lezen én begrijpen, lees dan ook mijn Spaanse blog. Op dit moment schrijf ik voornamelijk om mijn Spaans op een hoger peil te krijgen. Gelukkig leest mijn lerares de tekst eerst voordat ik ‘em plaats, dus dat voorkomt dat ik een flater sla. Aan de andere kant schrijf ik ook om in contact te komen met gelijkgestemde Spaanse zielen, maar tot nu toe is dat nog niet gelukt.
Interessante man die Peter Singer. Zegt dat hij een derde van zijn inkomen weggeeft om iets aan de ellende van de wereld te doen. Heeft er ook een boek over geschreven: “Het kan wel“. Citaat:
Je bent een slecht persoon als je niet geeft wat je kunt missen. Met jouw kleine acties kun je iemand anders uit de armoede trekken. Als jou dat niets kan schelen, dan ben je onethisch bezig.
De eschatologische taal van Paulus is niet eenduidig. Er zit een grote variëteit in zijn brieven. Mensen als Ridderbos en Ladd hebben, mijns inziens, aangetoond dat er een sterkt “reeds” en “nog niet” element in de theologie van Paulus aanwezig is. Het koninkrijk is aanwezig, maar in haar volheid nog niet zichtbaar. Het is bezig baan te breken.
Daarmee is nog geen antwoord gevonden op teksten van Paulus die zouden kunnen duiden op een immanente terugkeer van Jezus. Teksten die daarvoor aanleiding geven zijn 1Thess4:13-18 en 1Kor15:51.
De brieven aan Thessalonica zijn geschreven om een aantal zaken te verhelderen aangaande de komst van Jezus. Sommigen, die hadden verwacht dat Jezus terugkwam tijdens hun leven, zijn overleden. De vraag die opkomt is dan: wat gebeurt er met hen? Paulus zegt dat zij, net als de levenden, bij Jezus zullen zijn. Hij zegt in 1Thess4:15 (NBG):
… wij, levenden, die achterblijven tot de komst des Heren, zullen in geen geval de ontslapenen voorgaan.
Een andere tekst dit hier op lijkt, komt uit 1Cor15:51 (NBG):
… allen zullen wij niet ontslapen, maar allen zullen wij veranderd worden …
In de tekst uit Thessalonicenzen blijkt de de gemeente aldaar worstelde met de mensen die overlijden. Het levert de nodige vragen op. Krijgen de levenden en de doden een verschillende behandeling? Paulus schaart zich bij de levenden en zegt dat tot de komst van de Heer er geen enkel verschil is. Paulus heeft gehoopt dat de “Dag des Heren” nog tijdens zijn leven zou plaatsvinden. Daar ligt echter niet de nadruk. Het probleem dat hij aankaart is een andere. Op andere plaatsen gaat hij ervaar uit dat hij wel degelijk zal sterven (1Kor6:14, 2Kor4:14). In dit geval is het teveel gezegd dat Paulus zich hier gewoon vergist zou hebben in het tijdstip van Jezus´ komst. Dit zelfde geldt voor de tweede geciteerde tekst. We leggen er teveel in, door te zeggen dat Paulus verwacht zelf niet `te ontslapen`. Ridderbos zegt over 1 Thess4:15:
Voorreerst blijkt uit Paulus’ antwoord aan de gemeente in geen enkel opzicht, dat ook voor hem het sterven van gemeenteleden vóór de parousie een probleem zou hebben gevormd (Paulus – ontwerp van zijn theologie, p549).
Voor Paulus is het een wens de komst van Jezus mee te maken, maar het gaat in de eerste plaats om de heerlijkheid van Jezus, die onafhankelijk is van de verschijning tijdens Paulus’ leven.
Het christendom kent een sterke verwachting op Jezus’ terugkomst. De geschiedenis is niet cyclisch, maar lineair. Het heeft een begin en een einde. Jezus zelf leefde in Zijn rondwandelen op aarde in het besef van Zijn terugkomst. Ook bij Paulus komt dit terug.
Nu lijkt het met name bij Paulus op dat hij verwachtte dat Jezus snel terug zou komen. H. Berkhof schrijft bijvoorbeeld:
… door het optreden en door de opstanding van Jezus ontstond in de eerste gemeente een nieuwe volstrekte zekerheid aangaande de toekomst, gepaard met de stellige verwachting dat deze zeer spoedig zal intreden, omdat ze de onmiddellijke consequentie van het leven, de dood en de opstanding van Jezus was. In de synoptische evangeliën is Jezus’ optreden de ouverture van het nabij gekomen Rijk, bij Paulus is het eschaton de consequentie van Jezus’ dood en opstanding; bij beide belichtingen is de toekomst de extrapolatie van het heden (Christelijk geloof, p 545).
Veelal is daarom geconcludeerd dat toen de Parousia uitbleef, het perspectief van Paulus veranderde, of dat de werkelijkheid de wens van Jezus’ komst inhaalde. Hij kwam niet binnen de tijdspanne van Paulus’ leven. Dodd en Bultmann gingen daarom uit van een gerealiseerde eschatologie.
Gallup presenteerde onlangs de resultaten van een onderzoek naar leiderschap in het boek “Strengthts Based Leadership”. Het resultaat levert een nieuwe visie op op leiderschap, maar was voor mij ook een “Aha Erlebnis”. In meer dan 10.000 interviews vroeg men: “Waarom volgen mensen?
Volgens Gallup zijn de vier meest genoemde redenen deze:
Mensen volgen dus niet als er sprake is van een helder visie, een strak strategisch plan of een vlotte babbel. Mensen zien eerst een persoon die iets uitstraalt.
In het onderzoek staat verder:
As we reviewed the research … we found that more than 85% of respondents selected someone they described as a friend, family member, coworker, teacher, or current manager/immediate supervisor. In the vast majority of cases, the leader who had the most impact was someone very close to the person answering the survey.
Iets om over na te denken als leider. Leiderschap heeft dus alles te maken met naast mensen staan en het bouwen aan een relatie. Opmerkelijk, dat is nu juist wat Jezus ook deed.
“Ik kreeg eens een reprimande van de hoofdaalmoezenier, omdat ik te weinig achter mijn bureau zat. Ik zei: het kantoor is niet mijn werkplek, maar daar waar de mensen zijn. De kerk moet de mensen opzoeken. Dat klemt temeer in een periode waarin steeds minder mensen de weg naar de kerk weten te vinden.” (De Volkskrant, zaterdag 19 september, pagina 37).
Tot nu toe heb ik nog niet veel reacties in de emerging “blogosphere” gelezen over het boek van Martijn Vellekoop en Nico Dirk van Loo. Dat is jammer, want het boek is het waard om besproken te worden. Ik probeer in deze recensie een beeld te geven van het boek met daarbij aan het einde een waardering.
Het boek leest makkelijk weg en de praktijk beschrijvingen roepen veel herkenning op. De afwisseling tussen “theorie” en “beleving” spreekt mij aan. De verhalen zijn beschrijvingen van mensen die niet genoegen nemen met de status quo in de kerk. De geïnterviewden willen met beide benen in de modder van de wereld staan. De werkelijkheid is rauw, maar het Koninkrijk kan daar doorheen breken. Ze hebben als doel gesteld om het “wild”/”wereld” te getuigen van het Koninkrijk, wegwijzers te zijn naar Jezus. Het is treffend om bij een aantal van de geïnterviewden te merken dat hun initiatieven weerstand hebben opgeroepen bij de gevestigde orde. Een aantal van hen knapte af op deze starheid. De gevoelens die daarbij vrijkomen zijn ook beschreven door Dave Tomlinson “de post-evangelical” en bevestigen maar weer eens dat nieuwe initiatieven om te bouwen aan het Koninkrijk van God niet door iedereen worden gewaardeerd. Ik ervaar daarbij een mix van boosheid, verdriet en machteloosheid. De marginalisatie (Jesus has left the polder) is blijkbaar nog niet voldoende doorgedrongen bij sommige kerken en kerkleiders om werkelijk in beweging te komen.
De theoretisch nadruk ligt bij het Koninkrijk van God en Jezus als verkondiger daarvan. Het Koninkrijk beslaat de hele aarde, niet alleen de beperktheid van de plaatselijke kerk vandaag de dag. Jezus maakt dat Koninkrijk tastbaar en zichtbaar, volgens de schrijvers. Zou Jezus in een lease-bak rijden en in Leidsche Rijn wonen? Dat is de vraag die de schrijvers zich bijvoorbeeld stellen. Ze wijzen op al die christenen die het voor elkaar hebben, maar die religie consumeren en verder er niets mee doen. En volgens de schrijvers moet je het Koninkrijk vooral doen! Dat is iets dat Jezus ons leert. Heden ten dage heeft de kerk dat verleerd. Ze probeert door relevante kerkdiensten de mensen naar de kerk te krijgen. Maar zeggen de schrijvers, het gaat er niet om om de mensen naar de kerk te krijgen, de kerk moet naar de mensen toe: Van atractional naar incarnational.
In de beschrijving merk je dat de schrijvers goed hebben geluisterd naar hun Angelsaksische meedenkers en schrijvers. Hun ideeën wordt vertaald naar een Nederlandse context en door de praktijk voorbeelden aan tijd en plaats gekoppeld.
Waardering en kritiek:
Het boek is een goede inleiding op een nieuw soort denken dat ook in Nederland steeds meer aandacht krijgt. Het gaat om evangelie en een “handen uit de mouwen”-denken (holistisch denken). De emerging church kijkt over kerkmuren heen en wil daar zijn waar mensen zijn die lijden en pijn hebben. Ze willen als Jezus naast hen staan. Ze willen liefhebben, nood dragen, delen en Jezus vertrouwen dat Hij erbij is. De praktijkvoorbeelden schetsen dit op een treffende manier.
In het boek wordt gezegd dat het postmodernisme en de marginalisatie van de kerk op de achtergrond meespelen bij de discussie over de emerging church (p6). Ik denk dat de techniek de bedding is waarin de ideeën over nieuwe vormen van kerk-zijn verspreid worden. Blogs en websites maken het mogelijk om snel op de hoogte te zijn van conferenties, ideeën, “namen”, boeken, enz. Ik durf zelfs de vraag te stellen dat zonder het internet de emerging church niet zo snel voet aan de grond had gekregen.
In de kenmerken van de emerging church mis is de missionaire nadruk. Ik denk zeker dat dat ook genoemd moet worden. Overigens, bij de karakteristieken voor de kerk wordt “mission” wel genoemd (p147).
Ik ben blij met de nadruk op het Koninkrijk. Tegelijkertijd verbaast het me dat de schrijvers een theologisch lijn neerleggen om het Koninkrijk te duiden die start in het Oude Testament en stoppen bij de evangeliën. Paulus verkondigde ook het Koninkrijk, maar stichtte als gevolg daarvan gemeenten. Ik mis in het boek de relatie tussen kerk en Koninkrijk. George Eldon Ladd heeft daar mooie dingen over geschreven en zou zo in het “emerging” denken geïncorporeerd kunnen worden.
De schrijvers noemen als karakteristieken voor de kerk: communion, community en mission (ontleent aan “The Tangible Kingdom: Creating Incarnational Community”, door Hugh Halter en Matt Smay). Dit is niets anders dan wat jaren eerder verwoord is in de drie B’s: boven, binnen, buiten. De basis die de schrijvers neerleggen kan ook toegepast worden in een evangelische gemeente van 1000 leden, met kleine groepen en een daklozen-bediening. In welk opzicht in de emerging church in Nederland dan anders dan een “gewone” evangelisch gemeente? Deze vraag wordt voor mij niet voldoende beantwoord.
Dit boek is (denk ik) geschreven voor de geïnteresseerden die zich niet binnen de emerging wereld bevinden en die niet theoloog zijn. Dat kan ook de reden zijn dat het niet gaat om theologische diepgang (en dat er “gewone” mensen zijn die het boek willen kopen). Ik hoop dat er in de toekomst studies in het Nederlandse taalgebied verschijnen die deze diepgang wel hebben (en die misschien niet hoge verkoopcijfers hebben). Ik hoor te vaak dat het niet gaat om theologische diepgang, maar om “iets” anders. Ik hoop dat de Nederlandse emerging beweging in de toekomst ook gekenmerkt wordt door de stevige theologische doordenking en niet door oppervlakkigheid.
Het is storend dat de voetnoten de ene keer wel de pagina( ’s) noemen en de andere keer niet. De voetnoten hebben geen eenduidige notatie.
De kritiek is bedoeld als aanzet tot verdere doordenking. Al met al een boek dat het waard is om gelezen te worden. De emerging church is in Nederland een groeiende beweging. Het is nog steeds erg klein, maar een toenemend aantal mensen wordt uitgedaagd door de ideeën. Dat is hoopvol. Ik hoop dat dit boek daar ook aan bijdraagt.
Dit filnpje sloeg er bij mij flink in. In Granada zie ik zoveel mensen die alleen zijn, die bedelen, de geld proberen te verdienen door nep-kleding-riemen-brillen te verkopen. Ik ga er vaak aan voorbij. Maar het zijn mensen zoals ik. Alleen ze hebben minder of helemaal niets. Ik ga er vaak aan voorbij, voorbij, voorbij, voorbij…….